ACOD Lokale en Regionale Besturen
ACOD Lokale en Regionale Besturen
naar gemeentebesturen naar provinciebesturen naar intercommunales naar OCMW'S naar politie naar lokale en andere initiatieven

Terug naar Algemeen Nieuws / De rechtspositieregeling OCMW’s en het verlof om dwingende redenen

 

 

Startpagina

 

Wat is ACOD-LRB

 

Wat bieden wij

 

Nieuws

 

Kalender

 

Documentatie

 

Problemen

 

Links

 

E-mails - Contact

 

Nieuw lid

 

BEREKEN ZELF UW PENSIOEN

 

ZOEKEN

 

Nieuws van de politie

DE RECHTSPOSITIEREGELING OCMW’S EN HET VERLOF OM DWINGENDE REDENEN

Hebben de personeelsleden van de OCMW’s na het in voege treden van het rechtspositiebesluit van 12 november 2010 nog recht op verlof om dwingende redenen?

Voor alle duidelijkheid: verlof om dwingende redenen dient niet verward te worden met omstandigheidsverlof cfr. artikel 209 BVR RPR G.

1. Onderscheid per personeelscategorie:

A. Het personeel bedoeld in artikel 104, §1 van het OCMW-decreet (betrekkingen die ook bestaan bij de gemeente):

Voor deze personeelscategorie is de RPR G ambtshalve van toepassing, en dus ook de verlofregelingen.

In het aantal verlofdagen (30 tot 35) zijn vier dagen “omstandigheidsverlof” inbegrepen. (zie Verslag aan de Vlaamse regering bij het rechtspositiebesluit van 07/12/2007) Het Verslag aan de Vlaamse regering heeft het wat betreft vier dagen omstandigheidsverlof over een “bestaande praktijk” die mee wordt opgenomen in de nieuwe regeling. Deze vier dagen staan los van het omstandigheidsverlof naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen (huwelijk, overlijden, bevalling, enz.) zoals bepaald in artikel 209 BVR RPR G.

Deze “bestaande praktijk” vindt haar oorsprong in het ontbreken van een verlofregeling voor het gemeentepersoneel vóór de RPR. Vóór het in voege treden van het BVR RPR G bestond er geen wettelijke regeling qua verlof in de lokale besturen. De besturen hanteerden meestal het K.B. van 19/11/1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen; het zgn. Verlofbesluit.

In artikel 20 van dat besluit spreekt men over “uitzonderlijk verlof wegens overmacht[...]” waarvan de duur maximaal vier dagen bedraagt. Dit uitzonderlijk verlof werd eveneens door de meeste lokale besturen overgenomen.

B. Het personeel bedoeld in artikel 104, §2 van het OCMW-decreet (specifieke functies):

Voor deze personeelscategorie dient een eigen RPR opgemaakt te worden. De bepalingen betreffende het verlof en de afwezigheden dienen overgenomen te worden van de RPR G.

Hieruit vloeit voort dat in het aantal verlofdagen ook vier dagen “omstandigheidsverlof” zijn inbegrepen. (zie uitleg punt A. hierboven)

C. Het personeel bedoeld in artikel 104, §6 van het OCMW-decreet (specifieke diensten):

Dit is het personeel van de verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen en diensten die federaal of gewestelijk gesubsidieerd worden. Voor deze personeelscategorie geldt een afwijkende verlofregeling dan deze voor de personeelsleden bedoeld in artikel 104, §1 en 2.

Deze personeelsleden krijgen slechts 26 verlofdagen. Het is duidelijk dat hier geen vier dagen omstandigheidsverlof inbegrepen zijn. Uit hoofde van het BVR RPR O hebben de personeelsleden van de specifieke diensten geen recht meer op verlof om dwingende redenen.

2. Onderscheid statutair – contractueel:

Statutair personeel is enkel gebonden door de RPR. De verlofbepalingen zoals ze in de plaatselijke RPR worden opgenomen zijn dan ook bepalend.

Het contractueel personeel heeft echter een andere mogelijkheid om het recht op afwezigheid om dwingende redenen af te dwingen.

Aangezien contractuele personeelsleden onderworpen zijn aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten hebben zij, in het kader van artikel 30bis van de wet van 1978, het recht om van het werk afwezig te zijn om dwingende redenen. De nadere bepalingen en de duur van de afwezigheden zijn vastgelegd in het K.B. van 11 oktober 1991.

Dat K.B. zegt dat werknemers gedurende maximaal 10 arbeidsdagen per jaar (artikel 4 K.B. 11/10/1991) afwezig mogen zijn wegens gebeurtenissen welke een dringende en noodzakelijke tussenkomst van de werknemer vereist (artikel 2, §1 K.B. 11/10/1991).

Onder bijzondere gebeurtenissen wordt verstaan:

1. Ziekte, ongeval of hospitalisatie van:

a) een met de werknemer onder hetzelfde dak wonend persoon zoals: echtgeno(o)t(e), de persoon die met de werknemer samenwoont, een kind of ouder, adoptie- of pleegkind, een tante of oom van de werknemer, of van zijn partner

b) een aan- of bloedverwant in eerste graad die niet met de werknemer onder het zelfde dak woont

2. Ernstige materiële beschadiging aan de bezittingen van de werknemer zoals schade aan de woning door brand of natuurramp

3. Het bevel tot verschijning in persoon in een rechtszitting wanneer de werknemer partij is in het geding

4. Andere gebeurtenissen vastgesteld in onderling akkoord tussen de werkgever en de werknemer die als een dwingende reden moeten beschouwd worden. (artikel 2, §2 K.B. 11/10/1991)

Aangezien een K.B. in de hiërarchie van de wetgeving boven een BVR staat kunnen besturen het verlof om dwingende redenen voor de contractuele personeelsleden zoals bepaald in artikel 30bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet weigeren.

In de rechterkolom vindt u de teksten van artikel 30bis van de wet van 3/7/1978 en het K.B. 11/10/1991.

Gebruikte afkortingen: BVR RPR G = Besluit Vlaamse Regering Rechtspositieregeling Gemeente; BVR RPR O = Besluit Vlaamse Regering Rechtspositieregeling OCMW; RPR G = Plaatselijke Rechtspositieregeling Gemeente; RPR O = Plaatselijke Rechtspositieregeling OCMW


 
Verwante documenten

  • Art. 30bis wet 03.07.1978

  • KB 11.10.1991